Naar de inhoud

God

11,427 verzen · 2 familieleden

Verzen die God noemen

Filter op boek
  1. Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.

  2. Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg;

  3. En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.

  4. En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong.

  5. Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.

  6. Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.

  7. En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert.

  8. Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!

  9. Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk.

  10. Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste;

  11. Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderheden in het veld van Zoan;

  12. Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads.

  13. Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.

  14. En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.

  15. Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.

  16. En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft.

  17. Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet.

  18. En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden.

  19. God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israel zeer.

  20. Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.

  21. En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders.

  22. En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis.

  23. Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn.

  24. En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.

  25. Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraim verkoos Hij niet.