God
Verzen die God noemen
De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.
Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.
Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend. [ (Psalms 77:21) Gij leiddet Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aaron. ]
Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.
Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israel; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken;
En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren;
En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God.
Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.
En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.
Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.
Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop.
En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs.
Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.
En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.
En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?
Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?
Daarom hoorde de HEERE, en werd verbolgen; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israel;
Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden.
Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende;
Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.
Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte;
En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen.
Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.
Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.
Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.