- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
Psalmen73
Listen to this chapter
0:00
0:00
De aanvankelijke worsteling van de psalmist
1
Een psalm van Asaf. Immers is God Israel goed, dengenen, die rein van harte zijn.
2
Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.
3
Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
De bedrieglijke voorspoed van de goddelozen
4
Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.
5
Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.
6
Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.
7
Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.
8
Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.
9
Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.
10
Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,
11
Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
12
Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.
Twijfel en wanhoop
13
Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.
14
Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.
15
Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
16
Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;
Het keerpunt in het heiligdom
17
Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.
18
Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.
19
Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!
20
Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.
God is de rots van mijn hart
21
Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
22
Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
Zekerheid en eeuwige hoop
23
Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;
24
Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.
25
Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!
26
Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.
27
Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert.
28
Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.
Use ← → arrow keys to navigate
Settings
Reading Style
Typeface
Font Size px
Reading Width chars
Options
Study Note