Spreuken24
Listen to this chapter
0:00
0:00
Benijd de goddeloze mannen niet
1
Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
2
Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.
Wijsheid bouwt en bevestigt
3
Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd;
4
En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed.
5
Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.
6
Want door wijze raadslagen zult gij voor u den krijg voeren, en in de veelheid der raadgevers is de overwinning.
De dwaasheid van kwaad en luiheid
7
Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
8
Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.
9
De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel.
10
Vertoont gij u slap ten dage uwer benauwdheid, uw kracht is nauw.
Red hen die ter dood gegrepen zijn
11
Red degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo gij u onthoudt.
12
Wanneer gij zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? Want Hij zal den mens vergelden naar zijn werk.
De zoetheid en beloning van de wijsheid
13
Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.
14
Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
De veerkracht van de rechtvaardige
15
Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
16
Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen.
Verblijd u niet over de val van uw vijand
17
Verblijd u niet als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;
18
Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
19
Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.
20
Want de kwade zal geen beloning hebben, de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.
Vrees God en eer de koning
21
Mijn zoon! vrees den HEERE en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan;
22
Want hun verderf zal haastelijk ontstaan; en wie weet hun beider ondergang?
Verdere spreuken der wijzen
23
Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.
24
Die tot den goddeloze zegt: Gij zijt rechtvaardig; dien zullen de volken vervloeken, de natien zullen hem gram zijn.
25
Maar voor degenen, die hem bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen des goeds zal op hem komen.
26
Men zal de lippen kussen desgenen, die rechte woorden antwoordt.
27
Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis.
28
Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip?
29
Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.
Waarneming van de akker van de luiaard
30
Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;
31
En ziet, hij was gans opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken.
32
Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan;
33
Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;
34
Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.
Use ← → arrow keys to navigate
Settings
Reading Style
Typeface
Font Size px
Reading Width chars
Options
Study Note