Naar de inhoud

Bijbelverzen over Unbelief

208 verzen · 61 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

  2. Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden.

  3. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan.

  4. Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen?

  5. Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.

  6. En hetgeen Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij; en Zijn getuigenis neemt niemand aan.

  7. Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.

  8. Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven.

  9. En Zijn woord hebt gij niet in u blijvende; want gij gelooft Dien niet, Dien Hij gezonden heeft.

  10. En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.

  11. Ik ben gekomen in den Naam Mijns Vaders, en gij neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, dien zult gij aannemen.

  12. Hoe kunt gij geloven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt?

  13. Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven.

  14. Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven?

  15. Maar Ik heb u gezegd, dat gij Mij ook gezien hebt, en gij gelooft niet.

  16. Velen dan van Zijn discipelen, dit horende, zeiden: Deze rede is hard; wie kan dezelve horen?

  17. Jezus nu, wetende bij Zichzelven, dat Zijn discipelen daarover murmureerden, zeide tot hen: Ergert ulieden dit?

  18. Wat zou het dan zijn, zo gij de Zoon des mensen zaagt opvaren, daar Hij te voren was?

  19. Maar er zijn sommigen van ulieden, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie zij waren, die niet geloofden, en wie hij was, die Hem verraden zou.

  20. Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.

  21. Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalf uitverkoren? En een uit u is een duivel.

  22. En Hij zeide dit van Judas, Simons zoon, Iskariot; want deze zou Hem verraden, zijnde een van de twaalven.

  23. Want ook Zijn broeders geloofden niet in Hem.

  24. Ik heb u dan gezegd, dat gij in uw zonden zult sterven; want indien gij niet gelooft, dat Ik Die ben, gij zult in uw zonden sterven.

  25. Maar Mij, omdat Ik u de waarheid zeg, gelooft gij niet.