Skip to content

Bijbelverzen over Friendship: General references

31 verzen · 1 aspect

Verzen over General references

Filter op boek
  1. Wanneer uw broeder, de zoon uwer moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u zal aanporren in het heimelijke, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die gij niet gekend hebt, gij noch uw vaderen;

  2. Van de goden der volken, die rondom u zijn, nabij u, of verre van u, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde;

  3. Zo zult gij hem niet ter wille zijn, en naar hem niet horen; ook zal uw oog hem niet verschonen, en gij zult u niet ontfermen, noch hem verbergen;

  4. Maar gij zult hem zekerlijk doodslaan; uw hand zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand des gansen volks.

  5. Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten.

  6. Mijn broeders hebben trouwelooslijk gehandeld als een beek; als de storting der beken gaan zij door;

  7. Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.

  8. Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.

  9. Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen.

  10. Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.

  11. Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek om der kinderen mijns buiks wil.

  12. Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen.

  13. Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.

  14. Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.

  15. Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.

  16. Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vlees?

  17. Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem.

  18. Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.

  19. Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.

  20. Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.

  21. Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!

  22. Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;

  23. Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.

  24. Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.

  25. Zo gij niet hadt om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen?