Skip to content

Bijbelverzen over Barabbas

28 verzen · 1 aspect

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. En zij hadden toen een welbekende gevangene, genaamd Bar-abbas.

  2. Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten, Bar-abbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus?

  3. Want hij wist, dat zij Hem door nijdigheid overgeleverd hadden.

  4. En als hij op de rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in den droom om Zijnentwil.

  5. Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben den scharen aangeraden, dat zij zouden Bar-abbas begeren, en Jezus doden.

  6. En de stadhouder, antwoordende, zeide tot hen: Welke van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Bar-abbas.

  7. Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden.

  8. Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden!

  9. Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.

  10. En al het volk, antwoordende, zeide: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen.

  11. Toen liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.

  12. En er was een, genaamd Bar-abbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan had.

  13. En de schare riep uit, en begon te begeren, dat hij deed, gelijk hij hun altijd gedaan had.

  14. En Pilatus antwoordde hun, zeggende: Wilt gij, dat ik u den Koning der Joden loslate?

  15. (Want hij wist, dat de overpriesters Hem door nijd overgeleverd hadden.)

  16. Maar de overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Bar-abbas zou loslaten.

  17. En Pilatus, antwoordende, zeide wederom tot hen: Wat wilt gij dan, dat ik met Hem doen zal, Dien gij een Koning der Joden noemt?

  18. En zij riepen wederom: Kruis Hem.

  19. Doch Pilatus zeide tot hen: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer: Kruis Hem!

  20. Pilatus nu, willende der schare genoeg doen, heeft hun Bar-abbas losgelaten, en gaf Jezus over, als hij Hem gegeseld had, om gekruist te worden.

  21. Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met Dezen, en laat ons Bar-abbas los.

  22. Dewelke was om zeker oproer, dat in de stad geschied was, en om een doodslag, in de gevangenis geworpen.

  23. Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten.

  24. Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem!

  25. En hij zeide ten derden male tot hen: Wat heeft Deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld des doods in Hem gevonden. Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.