circa 6 BC – AD 30
The Life of Jesus
The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.
Verzen uit dit tijdvak
- Johannes 9:5ca. 33 n.Chr.
Zolang Ik in de wereld ben, zo ben Ik het Licht der wereld.
- Johannes 9:6ca. 33 n.Chr.
Dit gezegd hebbende, spoog Hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de ogen des blinden;
- Johannes 9:7ca. 33 n.Chr.
En zeide tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (hetwelk overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en wies zich, en kwam ziende.
- Johannes 9:8ca. 33 n.Chr.
De geburen dan, en die hem te voren gezien hadden, dat hij blind was, zeiden: Is deze niet, die zat en bedelde?
- Johannes 9:9ca. 33 n.Chr.
Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide: Ik ben het.
- Johannes 9:10ca. 33 n.Chr.
Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de ogen geopend?
- Johannes 9:11ca. 33 n.Chr.
Hij antwoordde en zeide: De Mens, genaamd Jezus, maakte slijk, en bestreek mijn ogen, en zeide tot mij: Ga heen naar het badwater Siloam, en was u. En ik ging heen, en wies mij, en ik werd ziende.
- Johannes 9:12ca. 33 n.Chr.
Zij dan zeiden tot hem: Waar is Die? Hij zeide: Ik weet het niet.
- Johannes 9:13ca. 33 n.Chr.
Zij brachten hem tot de Farizeen, hem namelijk, die te voren blind geweest was.
- Johannes 9:14ca. 33 n.Chr.
En het was sabbat, als Jezus het slijk maakte, en zijn ogen opende.
- Johannes 9:15ca. 33 n.Chr.
De Farizeen dan vraagden hem ook wederom, hoe hij ziende geworden was. En hij zeide tot hen: Hij legde slijk op mijn ogen, en ik wies mij, en ik zie.
- Johannes 9:16ca. 33 n.Chr.
Sommigen dan uit de Farizeen zeiden: Deze Mens is van God niet, want Hij houdt den sabbat niet. Anderen zeiden: Hoe kan een mens, die een zondaar is, zulke tekenen doen? En er was tweedracht onder hen.
- Johannes 9:17ca. 33 n.Chr.
Zij zeiden wederom tot den blinde: Gij, wat zegt gij van Hem; dewijl Hij uw ogen geopend heeft? En hij zeide: Hij is een Profeet.
- Johannes 9:18ca. 33 n.Chr.
De Joden dan geloofden van hem niet, dat hij blind geweest was, en ziende was geworden, totdat zij geroepen hadden de ouders desgenen, die ziende geworden was.
- Johannes 9:19ca. 33 n.Chr.
En zij vraagden hun, zeggende: Is deze uw zoon, welken gij zegt, dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?
- Johannes 9:20ca. 33 n.Chr.
Zijn ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten, dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is;
- Johannes 9:21ca. 33 n.Chr.
Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet; hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven; hij zal van zichzelven spreken.
- Johannes 9:22ca. 33 n.Chr.
Dit zeiden zijn ouders, omdat zij de Joden vreesden; want de Joden hadden alrede te zamen een besluit gemaakt, zo iemand Hem beleed Christus te zijn, dat die uit de synagoge zou geworpen worden.
- Johannes 9:23ca. 33 n.Chr.
Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven.
- Johannes 9:24ca. 33 n.Chr.
Zij dan riepen voor de tweede maal den mens, die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef God de eer; wij weten, dat deze Mens een zondaar is.
- Johannes 9:25ca. 33 n.Chr.
Hij dan antwoordde en zeide: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; een ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie.
- Johannes 9:26ca. 33 n.Chr.
En zij zeiden wederom tot hem: Wat heeft Hij u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?
- Johannes 9:27ca. 33 n.Chr.
Hij antwoordde hun: Ik heb het u alrede gezegd, en gij hebt het niet gehoord; wat wilt gij het wederom horen? Wilt gijlieden ook Zijn discipelen worden?
- Johannes 9:28ca. 33 n.Chr.
Zij gaven hem dan scheldwoorden, en zeiden: Gij zijt Zijn discipel; maar wij zijn discipelen van Mozes.
- Johannes 9:29ca. 33 n.Chr.
Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar Dezen weten wij niet, van waar Hij is.