Naar de inhoud

circa 6 BC – AD 30

The Life of Jesus

The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.

3,779 verzen · 4 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Lukas 22:56ca. 33 n.Chr.

    En een zekere dienstmaagd, ziende hem bij het vuur zitten, en haar ogen op hem houdende, zeide: Ook deze was met Hem.

  2. Lukas 22:57ca. 33 n.Chr.

    Maar hij verloochende Hem, zeggende: Vrouw, ik ken Hem niet.

  3. Lukas 22:58ca. 33 n.Chr.

    En kort daarna een ander, hem ziende, zeide: Ook gij zijt van die. Maar Petrus zeide: Mens, ik ben niet.

  4. Lukas 22:59ca. 33 n.Chr.

    En als het omtrent een uur geleden was, bevestigde dat een ander, zeggende: In der waarheid, ook deze was met Hem; want hij is ook een Galileer.

  5. Lukas 22:60ca. 33 n.Chr.

    Maar Petrus zeide: Mens, ik weet niet, wat gij zegt. En terstond, als hij nog sprak, kraaide de haan.

  6. Lukas 22:61ca. 33 n.Chr.

    En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.

  7. Lukas 22:62ca. 33 n.Chr.

    En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk.

  8. Lukas 22:63ca. 33 n.Chr.

    En de mannen, die Jezus hielden, bespotten Hem, en sloegen Hem.

  9. Lukas 22:64ca. 33 n.Chr.

    En als zij Hem overdekt hadden, sloegen zij Hem op het aangezicht, en vraagden Hem, zeggende: Profeteer, wie het is, die U geslagen heeft?

  10. Lukas 22:65ca. 33 n.Chr.

    En vele andere dingen zeiden zij tegen Hem, lasterende.

  11. Lukas 22:66ca. 33 n.Chr.

    En als het dag geworden was, vergaderden de ouderlingen des volks, en de overpriesters en Schriftgeleerden, en brachten Hem in hun raad,

  12. Lukas 22:67ca. 33 n.Chr.

    Zeggende: Zijt Gij de Christus, zeg het ons. En Hij zeide tot hen: Indien Ik het u zeg, gij zult het niet geloven;

  13. Lukas 22:68ca. 33 n.Chr.

    En indien Ik ook vraag, gij zult Mij niet antwoorden, of loslaten;

  14. Lukas 22:69ca. 33 n.Chr.

    Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechter hand der kracht Gods.

  15. Lukas 22:70ca. 33 n.Chr.

    En zij zeiden allen: Zijt Gij dan de Zoon Gods? En Hij zeide tot hen: Gij zegt, dat Ik het ben.

  16. Lukas 22:71ca. 33 n.Chr.

    En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van node? Want wij zelven hebben het uit Zijn mond gehoord.

  17. Lukas 23:1ca. 33 n.Chr.

    En de gehele menigte van hen stond op, en leidde Hem tot Pilatus.

  18. Lukas 23:2ca. 33 n.Chr.

    En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk verkeert, en verbiedt den keizer schattingen te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is.

  19. Lukas 23:3ca. 33 n.Chr.

    En Pilatus vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordde hem en zeide: Gij zegt het.

  20. Lukas 23:4ca. 33 n.Chr.

    En Pilatus zeide tot de overpriesters en de scharen: Ik vind geen schuld in dezen Mens.

  21. Lukas 23:5ca. 33 n.Chr.

    En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, lerende door geheel Judea, begonnen hebbende van Galilea tot hier toe.

  22. Lukas 23:6ca. 33 n.Chr.

    Als nu Pilatus van Galilea hoorde, vraagde hij, of die Mens een Galileer was?

  23. Lukas 23:7ca. 33 n.Chr.

    En verstaande, dat Hij uit het gebied van Herodes was, zond hij Hem heen tot Herodes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was.

  24. Lukas 23:8ca. 33 n.Chr.

    En als Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van over lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden.

  25. Lukas 23:9ca. 33 n.Chr.

    En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.