Naar de inhoud

God

11,427 verzen · 2 familieleden

Verzen die God noemen

Filter op boek
  1. Want zij hebben het land niet geerfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt.

  2. Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs.

  3. Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.

  4. Maar Gij verlost ons van onze wederpartijders, en Gij maakt onze haters beschaamd.

  5. In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.

  6. Gij geeft ons over als schapen ter spijze, en Gij verstrooit ons onder de heidenen.

  7. Om de stem des honers en des lasteraars, vanwege den vijand en den wraakgierige.

  8. Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond.

  9. Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.

  10. Hoewel Gij ons verpletterd hebt in een plaats der draken, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt.

  11. Zo wij den Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid.

  12. Zou God zulks niet onderzoeken? Want Hij weet de verborgenheden des harten.

  13. Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.

  14. Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.

  15. Want onze ziel is in het stof nedergebogen; onze buik kleeft aan de aarde. [ (Psalms 44:27) Sta op, ons ter hulp, en verlos ons om Uwer goedertierenheid wil. ]

  16. Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.

  17. Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden.

  18. Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid.

  19. Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.

  20. Al Uw klederen zijn mirre, en aloe, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.

  21. Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.

  22. Een lied op Alamoth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

  23. Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela.

  24. De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.

  25. God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond.