God
Verzen die God noemen
Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als een der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.
Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;
Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?
Van den adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan.
Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft.
Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;
Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des sterken.
Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.
Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.
In den honger zal Hij u verlossen van den dood, en in den oorlog van het geweld des zwaards.
Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.
Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;
En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!
Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten.
Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?
Dan ontzet Gij mij met dromen, en door gezichten verschrikt Gij mij;
Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?
En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond; dat Gij hem in elken ogenblik beproeft?
Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?
Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?
En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.
Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?
Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.