- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
Job37
Listen to this chapter
0:00
0:00
Elihu erkent Gods ontzagwekkende macht
1
Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.
2
Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!
3
Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.
4
Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem Zijner hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden.
5
God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.
Gods heerschappij over de natuurkrachten
6
Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.
7
Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de lieden Zijns werks.
8
En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.
9
Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.
10
Door zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden.
11
Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.
12
Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.
13
Hetzij dat Hij die tot een roede, of tot Zijn land, of tot weldadigheid beschikt.
Jobs wijsheid in de schepping betwist
14
Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.
15
Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?
16
Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?
17
Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden?
18
Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?
19
Onderricht ons, wat wij Hem zeggen zullen; want wij zullen niets ordentelijk voorstellen kunnen vanwege de duisternis.
20
Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
De ondoorgrondelijke majesteit van de Almachtige
21
En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;
22
Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!
23
Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.
24
Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.
Use ← → arrow keys to navigate
Settings
Reading Style
Typeface
Font Size px
Reading Width chars
Options
Study Note