- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
Jobs gerechtigheid en aanzien in de poort
Job 29:7-17
7
Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.
8
De jongens zagen mij, en verstaken zich, en de stokouden rezen op en stonden.
9
De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond.
10
De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
11
Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.
12
Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.
13
De zegen desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik vrolijk zingen.
14
Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.
15
Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten.
16
Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.
17
En ik verbrak de baktanden des verkeerden, en wierp den roof uit zijn tanden.
Settings