- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
Job29
Listen to this chapter
0:00
0:00
Job herinnert zich zijn dagen van goddelijke gunst
1
En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
2
Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde!
3
Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;
4
Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;
5
Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij;
6
Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot;
Jobs gerechtigheid en aanzien in de poort
7
Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.
8
De jongens zagen mij, en verstaken zich, en de stokouden rezen op en stonden.
9
De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond.
10
De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
11
Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.
12
Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.
13
De zegen desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik vrolijk zingen.
14
Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.
15
Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten.
16
Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.
17
En ik verbrak de baktanden des verkeerden, en wierp den roof uit zijn tanden.
De verwachting van een ongestoord leven
18
En ik zeide: Ik zal in mijn nest den geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand.
19
Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijn tak.
20
Mijn heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijn hand.
Het gezag van Jobs raad
21
Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.
22
Na mijn woord spraken zij niet weder, en mijn rede drupte op hen.
23
Want zij wachtten naar mij, gelijk naar den regen, en sperden hun mond open, als naar den spaden regen.
24
Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht mijns aangezichts deden zij niet nedervallen.
25
Verkoos ik hun weg, zo zat ik bovenaan, en woonde als een koning onder de benden, als een, die treurigen vertroost.
Use ← → arrow keys to navigate
Settings
Reading Style
Typeface
Font Size px
Reading Width chars
Options
Study Note