- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
Ezra 2:36-67
De priesters, Levieten en tempeldienaren
36
De priesters. De kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig.
37
De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig.
38
De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig.
39
De kinderen van Harim, duizend en zeventien.
40
De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.
41
De zangers. De kinderen van Asaf honderd acht en twintig.
42
De kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig.
43
De Nethinim. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
44
De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;
45
De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub;
46
De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;
47
De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;
48
De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam;
49
De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai;
50
De kinderen van Asna, de kinderen der Mehunim, de kinderen der Nefusim;
51
De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
52
De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
53
De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
54
De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa.
55
De kinderen der knechten van Salomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Peruda;
56
De kinderen van Jaala, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;
57
De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.
58
Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
Degenen van wie de afkomst onzeker was
59
Dezen togen ook op van Tel-melah, Tel-harsa, Cherub, Addan en Immer; doch zij konden hunner vaderen huis en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israel waren.
60
De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.
61
En van de kinderen der priesteren, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, een vrouw genomen had, en naar hun naam genoemd was.
62
Dezen zochten hun register, onder degenen, die in het geslachtsregister gesteld waren, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd.
63
En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en met thummim.
Het volledige aantal van de gemeente
64
Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend driehonderd en zestig.
65
Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen.
66
Hun paarden waren zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;
67
Hun kemelen, vierhonderd vijf en dertig; de ezelen, zes duizend zevenhonderd en twintig.
In dit gedeelte
- Wie
- Waar
- Wanneer
- About
Zie ook
Waar de Schrift dit nog meer zegt.
1 Kronieken 9:12
En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pashur, den zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiel, den zoon van Jahzera, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillemith, den zoon van Immer.vanuit vers 381 Kronieken 9:2
De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de Israelieten, de priesters, de Levieten, en de Nethinim.vanuit vers 432 Samuel 17:27
En het geschiedde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba der kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiel, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim,vanuit vers 611 Kronieken 24:14
Het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer,vanuit vers 371 Kronieken 24:8
Het derde voor Harim, het vierde voor Seorim,vanuit vers 391 Koningen 9:21
Hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de kinderen Israels niet hadden kunnen verbannen, die heeft Salomo gebracht op slaafsen uitschot tot op dezen dag.vanuit vers 55Nehemia 7:59
De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;vanuit vers 57Numeri 3:10
Maar Aaron en zijn zonen zult gij stellen, dat zij hun priesterambt waarnemen; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.vanuit vers 62Exodus 28:30
Gij zult ook in den borstlap des gerichts de Urim en de Thummim zetten, dat zij op het hart van Aaron zijn, als hij voor het aangezicht des HEEREN ingaan zal; alzo zal Aaron dat gericht der kinderen Israels geduriglijk op zijn hart dragen, voor het aangezicht des HEEREN.vanuit vers 63Leviticus 2:3
Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aaron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid der heiligheden van de vuurofferen des HEEREN.vanuit vers 63Leviticus 2:10
En wat overblijft van het spijsoffer, zal voor Aaron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid der heiligheden van de vuurofferen des HEEREN.vanuit vers 63Numeri 27:21
En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, den priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht des HEEREN; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen Israels met hem, en de ganse vergadering.vanuit vers 63
Waar dit gebeurt

Studienotitie
Settings