Skip to content

Bijbelverzen over Zerah

16 verzen · 6 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

  1. En dit zijn de zonen van Rehuel: Nahath, en Zerah, Samma en Mizza; dat zijn geweest de zonen van Basmath, Ezau's huisvrouw.

  2. En dit zijn de zonen van Rehuel, den zoon van Ezau: de vorst Nahath, de vorst Zera, de vorst Samma, de vorst Mizza; dat zijn de vorsten van Rehuel in het land Edom; dat zijn de zonen van Basmath, de huisvrouw van Ezau.

  3. En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijn plaats.

  4. Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.

  5. De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.

  6. En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.

  7. De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.

  8. Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.

  9. Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,

  10. En Zerah, de Moor, kwam tegen hen uit, met een heir van duizend maal duizend, en driehonderd wagenen; en hij kwam tot Maresa toe.

  11. Toen toog Asa tegen hem uit; en zij stelden de slagorde in het dal Zefatha bij Maresa.

  12. En Asa riep tot den HEERE, zijn God, en zeide: HEERE, het is niets bij U, te helpen hetzij den machtige, hetzij den krachteloze; help ons, o HEERE, onze God! Want wij steunen op U, en in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze menigte; o HEERE! Gij zijt onze God; laat den sterfelijken mens tegen U niets vermogen.

  13. En de HEERE plaagde de Moren voor Asa en voor Juda; en de Moren vloden.

  14. Asa nu en het volk, dat met hem was, jaagden hen na tot Gerar toe; en zo velen vielen er van de Moren, dat er voor hen geen hervatting was; want zij waren verbroken voor den HEERE en voor Zijn leger; en zij droegen zeer veel roofs daarvan.

  15. En zij sloegen alle steden rondom Gerar; want de verschrikking des HEEREN was over hen; en zij beroofden al de steden, omdat veel roofs in dezelve was.

  16. En zij sloegen ook de tenten van het vee, en voerden weg schapen in menigte, en kemelen; en kwamen weder te Jeruzalem.