Naar de inhoud

Bijbelverzen over Procrastination: General references

51 verzen · 15 aspecten

Verzen over General references

Filter op boek
  1. Uw volheid en uw tranen zult gij niet uitstellen; den eerstgeborene uwer zonen zult gij Mij geven.

  2. Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren.

  3. En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

  4. Die zeggen: Men moet geen huizen nabij bouwen; deze stad zou de pot, en wij het vlees zijn.

  5. Mensenkind, wat is dit voor een spreekwoord, dat gijlieden hebt in het land Israels, zeggende: de dagen zullen verlengd worden, en al het gezicht zal vergaan?

  6. Mensenkind, zie, die van het huis Israels zeggen: Het gezicht dat hij ziet, is voor vele dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn.

  7. Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Geen Mijner woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord, hetwelk Ik gesproken heb, dat zal gedaan worden, spreekt de Heere HEERE.

  8. En een ander uit Zijn discipelen zeide tot Hem: Heere! laat mij toe, dat ik eerst heenga, en mijn vader begrave.

  9. Maar zo die kwade dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen;

  10. En zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards;

  11. Zo zal de heer van dezen dienstknecht komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet;

  12. En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden.

  13. En vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazen.

  14. Die dwaas waren, haar lampen nemende, namen geen olie met zich.

  15. Maar de wijzen namen olie in haar vaten, met haar lampen.

  16. Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap.

  17. En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!

  18. Toen stonden al die maagden op, en bereidden haar lampen.

  19. En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uw olie; want onze lampen gaan uit.

  20. Doch de wijzen antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkopers, en koopt voor uzelven.

  21. Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten.

  22. Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open!

  23. En hij, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg ik u: Ik ken u niet.

  24. Zo waakt dan; want gij weet den dag niet, noch de ure, in welke de Zoon des mensen komen zal.

  25. En Hij zeide tot een anderen: Volg Mij. Doch hij zeide: Heere, laat mij toe, dat ik heenga, en eerst mijn vader begrave.