Skip to content

Bijbelverzen over Nethinim

35 verzen · 8 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Alzo gaf Jozua hen over ten zelven dage tot houthouwers en waterputters der vergadering, en dat tot het altaar des HEEREN, tot dezen dag toe, aan de plaats, die Hij verkiezen zoude.

  2. Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten, en Jebusieten, die niet waren van de kinderen Israels;

  3. Hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de kinderen Israels niet hadden kunnen verbannen, die heeft Salomo gebracht op slaafsen uitschot tot op dezen dag.

  4. De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de Israelieten, de priesters, de Levieten, en de Nethinim.

  5. De Nethinim. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;

  6. De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;

  7. De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub;

  8. De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;

  9. De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;

  10. De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam;

  11. De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai;

  12. De kinderen van Asna, de kinderen der Mehunim, de kinderen der Nefusim;

  13. De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;

  14. De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;

  15. De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;

  16. De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa.

  17. Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

  18. En de priesters en de Levieten, en sommigen uit het volk, zo de zangers als de poortiers, en de Nethinim woonden in hun steden, en gans Israel in zijn steden.

  19. Ook laten wij ulieden weten, aangaande alle priesteren en Levieten, zangers, poortiers, Nethinim en dienaars van het huis dezes Gods, dat men den cijns, ouden impost en tol hun niet zal vermogen op te leggen.

  20. En van Nethinim, die David en de vorsten ten dienste der Levieten gegeven hadden, tweehonderd en twintig Nethinim, die allen bij namen genoemd werden.

  21. De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;

  22. De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;

  23. De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai;

  24. De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;

  25. De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;