Skip to content

Bijbelverzen over Harlot

47 verzen · 5 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Daarom zond de koning van Jericho tot Rachab, zeggende: Breng de mannen uit, die tot u gekomen zijn, die te uwen huize gekomen zijn; want zij zijn gekomen, om het ganse land te doorzoeken.

  2. Maar die vrouw had die beide mannen genomen, en zij had hen verborgen; en zeide aldus: Er zijn mannen tot mij gekomen, maar ik wist niet, van waar zij waren.

  3. En het geschiedde, als men de poort zou sluiten, als het duister was, dat die mannen uitgingen; ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn; jaagt hen haastelijk na, want gij zult ze achterhalen.

  4. Maar zij had hen op het dak doen klimmen, en zij had hen verstoken onder de vlasstoppelen, die van haar op het dak beschikt waren.

  5. Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.

  6. Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.

  7. Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.

  8. Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

  9. Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.

  10. Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;

  11. Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;

  12. Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;

  13. En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is;

  14. En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!

  15. En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars!

  16. Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering!

  17. Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput;

  18. Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten;

  19. Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.

  20. Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;

  21. Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.

  22. En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?

  23. Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;

  24. Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;

  25. En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem: