- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
Bijbelverzen over Harlot: Shamelessness of
Verzen over Shamelessness of
Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:
Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;
Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden.
Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte;
Ik heb mijn leger met mirre, aloe en kaneel welriekende gemaakt;
Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde.
Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;
Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen.
Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.
Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.
Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.
Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.
Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.
En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:
Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:
De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.
Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.