Naar de inhoud

circa 1446–1406 BC

The Wilderness Years

Forty years of wandering in the desert test Israel's faith and prepare a new generation to enter the promised land.

2,247 verzen · 2 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Deuteronomium 25:8ca. 1451 v.Chr.

    Dan zullen hem de oudsten zijner stad roepen, en tot hem spreken; blijft hij dan daarbij staan, en zegt: Het bevalt mij niet haar te nemen;

  2. Deuteronomium 25:9ca. 1451 v.Chr.

    Zo zal zijns broeders vrouw voor de ogen der oudsten tot hem toetreden, en zijn schoen van zijn voet uittrekken, en spuwen in zijn aangezicht, en zal betuigen en zeggen: Alzo zal dien man gedaan worden, die zijns broeders huis niet zal bouwen.

  3. Deuteronomium 25:10ca. 1451 v.Chr.

    En zijn naam zal in Israel genoemd worden: Het huis desgenen, dien de schoen uitgetogen is.

  4. Deuteronomium 25:11ca. 1451 v.Chr.

    Wanneer mannen, de een met den ander, twisten, en de vrouw des enen toetreedt, om haar man uit de hand desgenen, die hem slaat, te redden, en haar hand uitstrekt, en zijn schamelheid aangrijpt;

  5. Deuteronomium 25:12ca. 1451 v.Chr.

    Zo zult gij haar hand afhouwen, uw oog zal niet verschonen.

  6. Deuteronomium 25:13ca. 1451 v.Chr.

    Gij zult geen tweeerlei weegstenen in uw zak hebben; een groten en een kleinen.

  7. Deuteronomium 25:14ca. 1451 v.Chr.

    Gij zult in uw huis geen tweeerlei efa hebben, een grote en een kleine.

  8. Deuteronomium 25:15ca. 1451 v.Chr.

    Gij zult een volkomen en gerechten weegsteen hebben; gij zult een volkomene en gerechte efa hebben; opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.

  9. Deuteronomium 25:16ca. 1451 v.Chr.

    Want al wie zulks doet, is den HEERE, uw God, een gruwel; ja, al wie onrecht doet.

  10. Deuteronomium 25:17ca. 1451 v.Chr.

    Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft op den weg, als gij uit Egypte uittoogt;

  11. Deuteronomium 25:18ca. 1451 v.Chr.

    Hoe hij u op den weg ontmoette, en sloeg onder u in den staart al de zwakken achter u, als gij moede en mat waart; en hij vreesde God niet.

  12. Deuteronomium 25:19ca. 1451 v.Chr.

    Het zal dan geschieden, als u de HEERE, uw God, rust zal gegeven hebben, van al uw vijanden rondom, in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve geven zal, om hetzelve erfelijk te bezitten, dat gij de gedachtenis van Amalek van onder den hemel zult uitdelgen; vergeet het niet!

  13. Deuteronomium 26:1ca. 1451 v.Chr.

    Voorts zal het geschieden, wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve geven zal, en gij dat erfelijk zult bezitten, en daarin wonen;

  14. Deuteronomium 26:2ca. 1451 v.Chr.

    Zo zult gij nemen van de eerstelingen van alle vrucht des lands, die gij opbrengen zult van uw land, dat u de HEERE, uw God, geeft, en zult ze in een korf leggen; en gij zult heengaan tot de plaats, die de HEERE, uw God, verkoren zal hebben, om Zijn Naam aldaar te doen wonen;

  15. Deuteronomium 26:3ca. 1451 v.Chr.

    En gij zult komen tot den priester, dewelke in die dagen zijn zal, en tot hem zeggen: Ik verklaar heden voor den HEERE, uw God, dat ik gekomen ben in het land, hetwelk de HEERE onzen vaderen gezworen heeft ons te zullen geven.

  16. Deuteronomium 26:4ca. 1451 v.Chr.

    En de priester zal den korf van uw hand nemen, en hij zal dien voor het altaar des HEEREN, uws Gods, nederzetten.

  17. Deuteronomium 26:5ca. 1451 v.Chr.

    Dan zult gij voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syrier, en hij toog af naar Egypte, en verkeerde aldaar als vreemdeling met weinig volks; maar hij werd aldaar tot een groot, machtig en menigvuldig volk.

  18. Deuteronomium 26:6ca. 1451 v.Chr.

    Doch de Egyptenaars deden ons kwaad, en verdrukten ons, en legden ons een harden dienst op.

  19. Deuteronomium 26:7ca. 1451 v.Chr.

    Toen riepen wij tot den HEERE, den God onzer vaderen; en de HEERE verhoorde onze stem en zag onze ellende aan, en onzen arbeid, en onze onderdrukking.

  20. Deuteronomium 26:8ca. 1451 v.Chr.

    En de HEERE voerde ons uit Egypte, door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en door groten schrik, en door tekenen, en door wonderen.

  21. Deuteronomium 26:9ca. 1451 v.Chr.

    En Hij heeft ons gebracht tot deze plaats; en Hij heeft ons dit land gegeven, een land vloeiende van melk en honig.

  22. Deuteronomium 26:10ca. 1451 v.Chr.

    En nu, zie, ik heb gebracht de eerstelingen van de vrucht dezes lands, dat Gij, HEERE, mij gegeven hebt! Dan zult gij ze nederzetten voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en zult u buigen voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods;

  23. Deuteronomium 26:11ca. 1451 v.Chr.

    En gij zult vrolijk zijn over al het goede, dat de HEERE, uw God, aan u en uw huis gegeven heeft; gij, en de Leviet, en de vreemdeling, die in het midden van u is.

  24. Deuteronomium 26:12ca. 1451 v.Chr.

    Wanneer gij zult geeindigd hebben alle tienden van uw inkomen te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar der tienden; dan zult gij aan den Leviet, aan den vreemdeling, aan den wees en aan de weduwe geven, dat zij in uw poorten eten en verzadigd worden.

  25. Deuteronomium 26:13ca. 1451 v.Chr.

    En gij zult voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zeggen: Ik heb het heilige uit het huis weggenomen, en heb het ook aan den Leviet en aan den vreemdeling, aan den wees en aan de weduwe gegeven, naar al Uw geboden, die Gij mij geboden hebt; ik heb niets van Uw geboden overtreden, en niets vergeten.