Naar de inhoud

circa 800–400 BC

The Hebrew Prophets

God speaks through Isaiah, Jeremiah, and the minor prophets—calling Israel to repentance and foretelling the coming Messiah.

3,706 verzen · 14 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Jeremia 13:14ca. 599 v.Chr.

    En Ik zal hen in stukken slaan, den een tegen den ander, zo de vaders als de kinderen te zamen, spreekt de HEERE; Ik zal niet verschonen noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet zou verderven.

  2. Jeremia 13:15ca. 599 v.Chr.

    Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.

  3. Jeremia 13:16ca. 599 v.Chr.

    Geeft eer den HEERE, uw God, eer dat Hij het duister maakt, en eer uw voeten zich stoten aan de schemerende bergen; dat gij naar licht wacht, en Hij datzelve tot een schaduw des doods stelle, en tot een donkerheid zette.

  4. Jeremia 13:17ca. 599 v.Chr.

    Zult gijlieden dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgene plaatsen wenen vanwege den hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat des HEEREN kudde gevankelijk is weggevoerd.

  5. Jeremia 13:18ca. 599 v.Chr.

    Zeg tot den koning en tot de koningin: Vernedert u, zet u neder; want uw ganse hoofdsieraad, de kroon uwer heerlijkheid, is nedergedaald.

  6. Jeremia 13:19ca. 599 v.Chr.

    De steden van het zuiden zijn toegesloten, en er is niemand, die ze opent; het ganse Juda is weggevoerd, het is geheel en al weggevoerd.

  7. Jeremia 13:20ca. 599 v.Chr.

    Hef uw ogen op, en zie, die daar van het noorden komen! waar is de kudde, die u gegeven was, de schapen uwer heerlijkheid?

  8. Jeremia 13:21ca. 599 v.Chr.

    Wat zult gij zeggen, wanneer Hij bezoeking over u doen zal, daar gij hem geleerd hebt tot vorsten, tot een hoofd over u te zijn; zullen u de smarten niet aangrijpen, als een barende vrouw?

  9. Jeremia 13:22ca. 599 v.Chr.

    Wanneer gij dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid uwer ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, en uw hielen hebben geweld geleden.

  10. Jeremia 13:23ca. 599 v.Chr.

    Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen.

  11. Jeremia 13:24ca. 599 v.Chr.

    Daarom zal Ik hen verstrooien als een stoppel, die doorgaat, door een wind der woestijn.

  12. Jeremia 13:25ca. 599 v.Chr.

    Dit zal uw lot, het deel uwer maten zijn van Mij, spreekt de HEERE; gij, die Mij hebt vergeten, en op leugen vertrouwt.

  13. Jeremia 13:26ca. 599 v.Chr.

    Zo zal Ik ook uw zomen ontbloten boven uw aangezicht, en uw schande zal gezien worden.

  14. Jeremia 13:27ca. 599 v.Chr.

    Uw overspelen en uw hunkeringen, de schandelijkheid uws hoerdoms, op heuvelen, in het veld; Ik heb uw verfoeiselen gezien; wee u, Jeruzalem! zult gij niet rein worden? Hoe lang nog na dezen?

  15. Jeremia 14:1ca. 605 v.Chr.

    Het woord des HEEREN, dat tot Jeremia geschied is, over de zaken der grote droogte.

  16. Jeremia 14:2ca. 605 v.Chr.

    Juda treurt en haar poorten zijn verzwakt; zij zijn in het zwart gekleed ter aarde toe, en Jeruzalems geschrei klimt op.

  17. Jeremia 14:3ca. 605 v.Chr.

    En hun voortreffelijken zenden hun kleinen naar water; zij komen tot de grachten, zij vinden geen water, zij komen met hun vaten ledig weder; zij zijn beschaamd, ja, worden schaamrood, en bedekken hun hoofd.

  18. Jeremia 14:4ca. 605 v.Chr.

    Omdat het aardrijk gescheurd is, dewijl er geen regen op de aarde is; de akkerlieden zijn beschaamd, zij bedekken hun hoofd.

  19. Jeremia 14:5ca. 605 v.Chr.

    Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is.

  20. Jeremia 14:6ca. 605 v.Chr.

    En de woudezels staan op de hoge plaatsen, zij scheppen den wind gelijk de draken; hun ogen versmachten, omdat er geen kruid is.

  21. Jeremia 14:7ca. 605 v.Chr.

    Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o HEERE! doe het om Uws Naams wil; want onze afkeringen zijn menigvuldig, wij hebben tegen U gezondigd.

  22. Jeremia 14:8ca. 605 v.Chr.

    O Israels Verwachting, Zijn Verlosser in tijd van benauwdheid! waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten?

  23. Jeremia 14:9ca. 605 v.Chr.

    Waarom zoudt Gij zijn als een versaagd man, als een held, die niet kan verlossen? Gij zijt toch in het midden van ons, o HEERE! en wij zijn naar Uw Naam genoemd, verlaat ons niet.

  24. Jeremia 14:10ca. 605 v.Chr.

    Alzo zegt de HEERE van dit volk: Zij hebben zo liefgehad te zwerven, zij hebben hun voeten niet bedwongen; daarom heeft de HEERE geen welgevallen aan hen, nu zal Hij hunner ongerechtigheden gedenken, en hun zonden bezoeken.

  25. Jeremia 14:11ca. 605 v.Chr.

    Wijders zeide de HEERE tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede.