Naar de inhoud

circa 930–586 BC

The Divided Kingdom

The kingdom splits into Israel and Judah; prophets warn of judgment as both nations slowly drift into idolatry and exile.

1,722 verzen · 3 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. 2 Kronieken 33:12ca. 677 v.Chr.

    En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des HEEREN, zijns Gods, ernstelijk aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van den God zijner vaderen,

  2. 2 Kronieken 33:13ca. 677 v.Chr.

    En bad Hem; en Hij liet Zich van hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weder te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse, dat de HEERE God is.

  3. 2 Kronieken 33:14ca. 677 v.Chr.

    En na dezen bouwde hij den buitenmuur aan de stad Davids, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot den ingang van de Vispoort, en omsingelde Ofel, en verhief dien zeer; hij legde ook krijgsoversten in alle vaste steden in Juda.

  4. 2 Kronieken 33:15ca. 677 v.Chr.

    En hij nam de vreemde goden en die gelijkenis uit het huis des HEEREN weg, mitsgaders al de altaren, die hij gebouwd had op den berg van het huis des HEEREN, en te Jeruzalem; en hij wierp ze buiten de stad.

  5. 2 Kronieken 33:16ca. 677 v.Chr.

    En hij richtte het altaar des HEEREN toe, en offerde daarop dankofferen en lofofferen, en zeide tot Juda, dat zij den HEERE, den God Israels, dienen zouden.

  6. 2 Kronieken 33:17ca. 677 v.Chr.

    Maar het volk offerde nog op de hoogten, hoewel aan den HEERE, hun God.

  7. 2 Kronieken 33:18ca. 698 v.Chr.

    Het overige nu der geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijn God, ook de woorden der zieners, die tot hem gesproken hebben in den Naam van den HEERE, den God Israels, ziet, die zijn in de geschiedenissen der koningen van Israel;

  8. 2 Kronieken 33:19ca. 698 v.Chr.

    En zijn gebed, en hoe God Zich van hem heeft laten verbidden, ook al zijn zonde, en zijn overtreding, en de plaatsen, waarop hij hoogten gebouwd, en bossen en gesneden beelden gesteld heeft, eer hij vernederd werd, ziet, dat is beschreven in de woorden der zieners.

  9. 2 Kronieken 33:20ca. 698 v.Chr.

    En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.

  10. 2 Kronieken 33:21ca. 643 v.Chr.

    Amon was twee en twintig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde twee jaren te Jeruzalem.

  11. 2 Kronieken 33:22ca. 643 v.Chr.

    En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde al den gesneden beelden, die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze.

  12. 2 Kronieken 33:23ca. 643 v.Chr.

    Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht des HEEREN, gelijk Manasse, zijn vader, zich vernederd had; maar deze Amon vermenigvuldigde de schuld.

  13. 2 Kronieken 33:24ca. 641 v.Chr.

    En zijn knechten maakten een verbintenis tegen hem, en doodden hem in zijn huis.

  14. 2 Kronieken 33:25ca. 641 v.Chr.

    Maar het volk des lands sloeg hen allen, die de verbintenis tegen den koning Amon gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.

  15. 2 Kronieken 34:1ca. 641 v.Chr.

    Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem.

  16. 2 Kronieken 34:2ca. 641 v.Chr.

    En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de wegen van zijn vader David, en week niet af ter rechter hand, noch ter linkerhand.

  17. 2 Kronieken 34:3ca. 634 v.Chr.

    Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij den God zijns vaders Davids te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.

  18. 2 Kronieken 34:4ca. 634 v.Chr.

    En men brak voor zijn aangezicht af de altaren der Baals; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven dergenen, die hun geofferd hadden.

  19. 2 Kronieken 34:5ca. 634 v.Chr.

    En de beenderen der priesteren verbrandde hij op hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem.

  20. 2 Kronieken 34:6ca. 634 v.Chr.

    Daartoe in de steden van Manasse, en Efraim, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom,

  21. 2 Kronieken 34:7ca. 634 v.Chr.

    Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het ganse land van Israel; daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.

  22. 2 Kronieken 34:8ca. 624 v.Chr.

    In het achttiende jaar nu zijner regering als hij het land en het huis gereinigd had, zond hij Safan, den zoon van Azalia, en Maaseja, den overste der stad, en Joha, den zoon van Joahaz, den kanselier, om het huis des HEEREN, zijns Gods, te verbeteren.

  23. 2 Kronieken 34:9ca. 624 v.Chr.

    En zij kwamen tot Hilkia, den hogepriester, en zij gaven het geld, dat ten huize Gods gebracht was, hetwelk de Levieten, die den dorpel bewaarden, vergaderd hadden uit de hand van Manasse en Efraim, en uit het ganse overblijfsel van Israel, en uit gans Juda en Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen waren;

  24. 2 Kronieken 34:10ca. 624 v.Chr.

    Zij nu gaven het in de hand der verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis des HEEREN, en deze gaven dat dengenen, die het werk deden, die arbeidden aan het huis des HEEREN, om het huis te vermaken en te verbeteren.

  25. 2 Kronieken 34:11ca. 624 v.Chr.

    Want zij gaven het den werkmeesters en de bouwlieden, om gehouwen stenen te kopen, en hout tot de samenvoegingen, en om de huizen te zolderen, die de koningen van Juda verdorven hadden.