Naar de inhoud

circa 605–538 BC

The Babylonian Exile

Jerusalem falls and the temple burns; Ezekiel and Daniel minister among the exiles as Lamentations mourns the city's ruin.

1,784 verzen · 3 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Ezechiël 21:17ca. 593 v.Chr.

    En Ik Zelf zal ook Mijn hand tegen Mijn hand slaan, en Mijn grimmigheid doen rusten; Ik, de HEERE, heb het gesproken.

  2. Ezechiël 21:18ca. 593 v.Chr.

    Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

  3. Ezechiël 21:19ca. 593 v.Chr.

    Gij nu, mensenkind, stel u twee wegen voor, waardoor het zwaard des konings van Babel komt; uit een land zullen zij beide voortkomen; en kies een zijde, kies ze aan het hoofd van den weg der stad.

  4. Ezechiël 21:20ca. 593 v.Chr.

    Gij zult een weg voorstellen, waardoor het zwaard inkomen zal tegen Rabba der kinderen Ammons, of tegen Juda, tot de vaste stad Jeruzalem.

  5. Ezechiël 21:21ca. 593 v.Chr.

    Want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen slijpen; hij zal de terafim vragen, hij zal de lever bezien.

  6. Ezechiël 21:22ca. 593 v.Chr.

    De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdmannen te stellen, om den mond te openen in het doodslaan, om de stem op te heffen met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om sterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen.

  7. Ezechiël 21:23ca. 593 v.Chr.

    Dit zal hun in hun ogen als een ijdel waarzeggen zijn, omdat zij met eden beedigd zijn onder hen; maar hij zal der ongerechtigheid gedenken, opdat zij gegrepen worden.

  8. Ezechiël 21:24ca. 593 v.Chr.

    Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gijlieden uwer ongerechtigheid doet gedenken, doordien uw overtredingen ontdekt worden, zodat uw zonden gezien worden in al uw handelingen; omdat uwer gedacht wordt, zult gij met de hand gegrepen worden.

  9. Ezechiël 21:25ca. 593 v.Chr.

    En gij, o onheilig, goddeloos vorst van Israel, wiens dag komen zal, ten tijde der uiterste ongerechtigheid;

  10. Ezechiël 21:26ca. 593 v.Chr.

    Alzo zegt de Heere HEERE: Doe dien hoed weg, en hef dien kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen dien, die nederig is, en vernederen dien, die hoog is.

  11. Ezechiël 21:27ca. 593 v.Chr.

    Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, totdat hij kome, die daartoe recht heeft, en dien Ik dat geven zal.

  12. Ezechiël 21:28ca. 593 v.Chr.

    En gij, mensenkind, profeteer en zeg: Alzo zegt de Heere HEERE, van de kinderen Ammons, en van hun smading; zo zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren;

  13. Ezechiël 21:29ca. 593 v.Chr.

    Terwijl zij u ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen dergenen, die van de goddelozen verslagen zijn, welker dag gekomen was ten tijde der uiterste ongerechtigheid.

  14. Ezechiël 21:30ca. 593 v.Chr.

    Keer uw zwaard weder in zijn schede! In de plaats, waar gij geschapen zijt, in het land uwer woningen zal Ik u richten.

  15. Ezechiël 21:31ca. 593 v.Chr.

    En Ik zal over u Mijn gramschap uitgieten, Ik zal tegen u door het vuur Mijner verbolgenheid blazen; en Ik zal u overgeven in de hand van brandende mensen, smeders des verderfs.

  16. Ezechiël 21:32ca. 593 v.Chr.

    Het vuur zult gij tot spijze zijn, uw bloed zal zijn in het midden des lands; uwer zal niet gedacht worden; want Ik, de HEERE, heb het gesproken.

  17. Ezechiël 22:1ca. 593 v.Chr.

    Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

  18. Ezechiël 22:2ca. 593 v.Chr.

    Gij nu, mensenkind, zoudt gij der bloedstad recht geven? Zoudt gij ze recht geven? Ja, maak haar bekend al haar gruwelen.

  19. Ezechiël 22:3ca. 593 v.Chr.

    En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: O stad, die in haar midden bloed vergiet, opdat haar tijd kome, en drekgoden tegen zichzelve maakt, om zich te verontreinigen!

  20. Ezechiël 22:4ca. 593 v.Chr.

    Door uw bloed, dat gij vergoten hebt, zijt gij schuldig geworden, en met uw drekgoden, die gij gemaakt hebt, hebt gij u verontreinigd, en hebt uw dagen doen naderen, en zijt tot uw jaren gekomen; daarom heb Ik u den heidenen overgegeven tot een smaad, en allen landen tot een spot.

  21. Ezechiël 22:5ca. 593 v.Chr.

    Die nabij en verre van u zijn, zullen u bespotten, gij onreine van naam en vol van onrust!

  22. Ezechiël 22:6ca. 593 v.Chr.

    Ziet, de vorsten Israels zijn in u geweest, een ieder naar zijn kracht, om bloed te vergieten.

  23. Ezechiël 22:7ca. 593 v.Chr.

    Vader en moeder hebben zij in u licht geacht; met den vreemdeling hebben zij in het midden van u door verdrukking gehandeld; zij hebben in u den wees en de weduwe verdrukt.

  24. Ezechiël 22:8ca. 593 v.Chr.

    Mijn heilige dingen hebt gij veracht, en Mijn sabbatten hebt gij ontheiligd.

  25. Ezechiël 22:9ca. 593 v.Chr.

    Achterklappers zijn in u geweest om bloed te vergieten, en in u hebben zij op de bergen gegeten, zij hebben schandelijkheid in het midden van u gedaan.