Naar de inhoud

Job

53 verzen · 3 familieleden

Verzen die Job noemen

Filter op boek
  1. Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God.

  2. Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.

  3. Doch Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.

  4. Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;

  5. En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.

  6. Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

  7. Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.

  8. Wat man is er, gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water;

  9. Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.

  10. Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.

  11. Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.

  12. Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.

  13. Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:

  14. En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:

  15. Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?

  16. Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!

  17. Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

  18. Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

  19. Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

  20. Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet, henen, en deden, gelijk als de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het aangezicht van Job aan.

  21. En de HEERE wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en de HEERE vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel.

  22. En de HEERE zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kemelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen.

  23. En er werden zo schone vrouwen niet gevonden in het ganse land, als de dochteren van Job; en haar vader gaf haar erfdeel onder haar broederen.

  24. En Job leefde na dezen honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen zijner kinderen, tot in vier geslachten.

  25. En Job stierf, oud en der dagen zat.