Naar de inhoud

Jesus

3,872 verzen · 6 familieleden

Ook bekend als: Jesus Christ, Immanuel, Emmanuel, Christ

Verzen die Jesus noemen

Filter op boek
  1. En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was.

  2. En vooruitlopende, klom hij op een wilden vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door dien weg voorbijgaan.

  3. En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zacheus! haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven.

  4. En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.

  5. En allen, die het zagen, murmureerden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan, om te herbergen.

  6. En Zacheus stond, en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.

  7. En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is.

  8. Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.

  9. En als zij dat hoorden, voegde Hij daarbij, en zeide een gelijkenis; omdat Hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden.

  10. En de eerste kwam, en zeide: Heer, uw pond heeft tien ponden daartoe gewonnen.

  11. En de tweede kwam, en zeide: Heer, uw pond heeft vijf ponden gewonnen.

  12. En een ander kwam, zeggende: Heer, zie hier uw pond, hetwelk ik in een zweetdoek weggelegd had;

  13. En zij zeiden tot hem: Heer, hij heeft tien ponden.

  14. En dit gezegd hebbende, reisde Hij voor hen heen, en ging op naar Jeruzalem.

  15. En het geschiedde, als Hij nabij Beth-fage en Bethanie gekomen was, aan den berg, genaamd den Olijfberg, dat Hij twee van Zijn discipelen uitzond,

  16. En indien iemand u vraagt: Waarom ontbindt gij dat, zo zult gij alzo tot hem zeggen: Omdat het de Heere van node heeft.

  17. En die uitgezonden waren, heengegaan zijnde, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had.

  18. En zij zeiden: De Heere heeft het van node.

  19. En zij brachten hetzelve tot Jezus. En hun klederen op het veulen geworpen hebbende, zetten zij Jezus daarop.

  20. En als Hij voort reisde, spreidden zij hun klederen onder Hem op den weg.

  21. En als Hij nu genaakte aan den afgang des Olijfbergs, begon al de menigte der discipelen zich te verblijden, en God te loven met grote stemme, vanwege al de krachtige daden, die zij gezien hadden;

  22. Zeggende: Gezegend is de Koning, Die daar komt in den Naam des Heeren! Vrede zij in den hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen!

  23. En sommigen der Farizeen uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen.

  24. En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zeg ulieden, dat, zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen.

  25. En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar,