- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
Menselijke bekwaamheid in het ontginnen van de aarde
Job 28:1-11
1
Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten.
2
Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten.
3
Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.
4
Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg.
5
Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.
6
Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.
7
De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
8
De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.
9
Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.
10
In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.
11
Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.
Settings