Skip to content

Bijbelverzen over Waiting Upon God

61 verzen · 68 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Op uw zaligheid wacht ik, HEERE!

  2. En hij had twee vrouwen; de naam van de ene was Hanna, en de naam van de andere was Peninna. Peninna nu had kinderen, maar Hanna had geen kinderen.

  3. Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak.

  4. He. Vau. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik den ganse dag.

  5. Thau. Laat oprechtigheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U.

  6. Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE.

  7. Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild.

  8. Daleth. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.

  9. Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die den HEERE verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten.

  10. Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.

  11. En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.

  12. Davids psalm, voor den opperzangmeester.

  13. Ziet den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen. [ (Psalms 52:10) Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos. ] [ (Psalms 52:11) Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten. ]

  14. Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden.

  15. Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.

  16. Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.

  17. Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE!

  18. Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.

  19. Ja, Gij HEERE, God der heirscharen, God Israels! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela.

  20. Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.

  21. Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?

  22. Maar Gij, HEERE! zult hen belachen; Gij zult alle heidenen bespotten.

  23. Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Hoog Vertrek.

  24. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.

  25. Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.