Skip to content

Bijbelverzen over Humility: Exemplified

31 verzen · 43 aspecten

Verzen over Exemplified

Filter op boek
  1. Toen ging de koning David in, en bleef voor het aangezicht des HEEREN, en hij zeide: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?

  2. Daartoe is dit in Uw ogen nog klein geweest, Heere HEERE, maar Gij hebt ook over het huis Uws knechts gesproken tot van verre heen; en dit naar de wet der mensen, Heere HEERE!

  3. Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?

  4. En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond; dat Gij hem in elken ogenblik beproeft?

  5. Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?

  6. Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.

  7. Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?

  8. Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!

  9. Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.

  10. Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.

  11. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.

  12. Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.

  13. Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;

  14. Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.

  15. Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij.

  16. O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?

  17. De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.

  18. Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;

  19. En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.

  20. Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.

  21. Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.

  22. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven?

  23. En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed?

  24. En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen?

  25. En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.