Skip to content

Bijbelverzen over Dishonesty

44 verzen · 1 aspect

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Als een mens gezondigd, en tegen den HEERE door overtreding overtreden zal hebben, dat hij aan zijn naaste zal gelogen hebben van hetgeen hem in bewaring gegeven, of ter hand gesteld was, of van roof, of dat hij met geweld zijn naaste onthoudt;

  2. Of dat hij het verlorene gevonden, en daarover gelogen, en met valsheid gezworen zal hebben; over iets van alles, dat de mens doet, daarin zondigende.

  3. Het zal dan geschieden, dewijl hij gezondigd heeft, en schuldig geworden is, dat hij wederuitkeren zal den roof, dien hij geroofd, of het onthoudene, dat hij met geweld onthoudt, of het bewaarde, dat bij hem te bewaren gegeven was, of het verlorene, dat hij gevonden heeft;

  4. Of van al, waarover hij valselijk gezworen heeft, dat hij hetzelve in zijn hoofdsom wedergeve, en nog het vijfde deel daarenboven toedoen zal; wiens dat is, dien zal hij dat geven op den dag zijner schuld.

  5. En hij zal den HEERE zijn schuldoffer brengen tot den priester, een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting, ten schuldoffer.

  6. Dan zal de priester voor hem verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN, en het zal hem vergeven worden; over iets van al, wat hij doet, waar hij schuld aan heeft.

  7. Gij zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat.

  8. Gij zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland uitgevoerd heb!

  9. Gij zult geen tweeerlei weegstenen in uw zak hebben; een groten en een kleinen.

  10. Gij zult in uw huis geen tweeerlei efa hebben, een grote en een kleine.

  11. Gij zult een volkomen en gerechten weegsteen hebben; gij zult een volkomene en gerechte efa hebben; opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.

  12. Want al wie zulks doet, is den HEERE, uw God, een gruwel; ja, al wie onrecht doet.

  13. Zij tasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze.

  14. Den ezel der wezen drijven zij weg; den os ener weduwe nemen zij te pand.

  15. Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands.

  16. Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijs, en den jongeren.

  17. Op het veld maaien zij zijn voeder, en den wijnberg des goddelozen lezen zij af.

  18. Den naakten laten zij vernachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude.

  19. Van den stroom der bergen worden zij nat, en zonder toevlucht zijnde, omhelzen zij de steenrotsen.

  20. Zij rukken het weesje van de borst, en dat over den arme is, nemen zij te pand.

  21. Den naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, die garven dragen.

  22. Tussen hun muren persen zij olie uit, treden de wijnpersen, en zijn dorstig.

  23. Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen.

  24. Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weder, en morgen zal ik geven, dewijl het bij u is.

  25. Ziet, gij vertrouwt u op valse woorden, die geen nut doen.