Skip to content

Bijbelverzen over Commandments

394 verzen · 3 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.

  2. Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.

  3. Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten.

  4. Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend;

  5. Alzo sprak de HEERE der heirscharen, zeggende: Richt een waarachtig gericht, en doet goedertierenheid en barmhartigheden, de een aan den ander;

  6. En verdrukt de weduwe noch den wees, den vreemdeling noch den ellendige; en denkt niet in uw hart de een des anderen kwaad.

  7. Dit zijn de dingen, die gij doen zult: spreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste; oordeelt de waarheid en een oordeel des vredes in uw poorten.

  8. En denkt niet de een des anderen kwaad in ulieder hart; en hebt een valsen eed niet lief; want al deze zijn dingen, die Ik haat, spreekt de HEERE.

  9. Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting der ouden? Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood zullen eten.

  10. Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods, door uw inzetting?

  11. Want God heeft geboden, zeggende: Eert uwen vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.

  12. Maar gij zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder geenszins zal eren, die voldoet.

  13. En gij hebt alzo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting.

  14. Gij geveinsden! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende:

  15. Dit volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij;

  16. Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn.

  17. En als Hij de schare tot Zich geroepen had, zeide Hij tot hen: Hoort en verstaat.

  18. Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt den mens niet; maar hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mens.

  19. Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden tot Hem: Weet Gij wel, dat de Farizeen deze rede horende, geergerd zijn geweest?

  20. Maar Hij, antwoordende zeide: Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.

  21. Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen.

  22. En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Verklaar ons deze gelijkenis.

  23. Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende?

  24. Verstaat gij nog niet, dat al wat ten monde ingaat, in de buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen?

  25. Maar die dingen, die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mens.