Naar de inhoud

Bijbelverzen over Alliance and Society with the Enemies of God

229 verzen · 51 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen bij zich hadden doen wonen.

  2. En hun kinderen spraken half Asdodisch, en zij konden geen Joods spreken, maar naar de taal eens iegelijken volks.

  3. Zo twistte ik met hen, en vloekte hen, en sloeg sommige mannen van hen, en plukte hun het haar uit; en ik deed hen zweren bij God: Indien gij uw dochteren hun zonen zult geven, en indien gij van hun dochteren voor uw zonen of voor u zult nemen!

  4. Heeft niet Salomo, de koning van Israel, daarin gezondigd, hoewel er onder vele heidenen geen koning was, gelijk hij, en hij zijn God lief was, en God hem ten koning over gans Israel gesteld had? Ook hem deden de vreemde vrouwen zondigen.

  5. Zouden wij dan naar ulieden horen, dat gij al dit grote kwaad zoudt doen, overtredende tegen onzen God, doende vreemde vrouwen bij u wonen?

  6. Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;

  7. Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.

  8. In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet;

  9. Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.

  10. Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.

  11. In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!

  12. Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.

  13. Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.

  14. Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.

  15. Die zijn naaste in het heimelijke achterklapt; dien zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, die zal ik niet vermogen.

  16. Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.

  17. Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.

  18. En zij hebben den HEERE tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed.

  19. En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik.

  20. Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren den duivelen geofferd.

  21. En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden.

  22. Dies is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel.

  23. En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.

  24. En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.

  25. Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.