Naar de inhoud

circa 800–400 BC

The Hebrew Prophets

God speaks through Isaiah, Jeremiah, and the minor prophets—calling Israel to repentance and foretelling the coming Messiah.

3,706 verzen · 14 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Zacharia 3:2ca. 519 v.Chr.

    Doch de HEERE zeide tot den satan: De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?

  2. Zacharia 3:3ca. 519 v.Chr.

    Josua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond.

  3. Zacharia 3:4ca. 519 v.Chr.

    Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.

  4. Zacharia 3:5ca. 519 v.Chr.

    Dies zeg Ik: Laat ze een reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem klederen aan; en de Engel des HEEREN stond daarbij.

  5. Zacharia 3:6ca. 519 v.Chr.

    Toen betuigde de Engel des HEEREN Josua, zeggende:

  6. Zacharia 3:7ca. 519 v.Chr.

    Zo zegt de HEERE der heirscharen: Indien gij in Mijn wegen zult wandelen, en indien gij Mijn wacht zult waarnemen, zo zult gij ook Mijn huis richten, en ook Mijn voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder dezen, die hier staan.

  7. Zacharia 3:8ca. 519 v.Chr.

    Hoor nu toe, Josua, gij hogepriester! gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen.

  8. Zacharia 3:9ca. 519 v.Chr.

    Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen.

  9. Zacharia 3:10ca. 519 v.Chr.

    Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zult gijlieden een iegelijk zijn naaste nodigen tot onder den wijnstok en tot onder den vijgeboom.

  10. Zacharia 4:1ca. 519 v.Chr.

    En de Engel, Die met mij sprak, kwam weder; en Hij wekte mij op, gelijk een man, die van zijn slaap opgewekt wordt.

  11. Zacharia 4:2ca. 519 v.Chr.

    En Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie, en ziet, een geheel gouden kandelaar, en een oliekruikje boven deszelfs hoofd, en zijn zeven lampen daarop; die lampen hadden zeven en zeven pijpen, dewelke boven zijn hoofd waren;

  12. Zacharia 4:3ca. 519 v.Chr.

    En twee olijfbomen daarnevens, een ter rechterzijde van het oliekruikje, en een tot deszelfs linkerzijde.

  13. Zacharia 4:4ca. 519 v.Chr.

    En ik antwoordde, en zeide tot den Engel, Die met mij sprak, zeggende: Mijn Heere! wat zijn deze dingen?

  14. Zacharia 4:5ca. 519 v.Chr.

    Toen antwoordde de Engel, Die met mij sprak, en zeide tot mij: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere!

  15. Zacharia 4:6ca. 519 v.Chr.

    Toen antwoordde Hij, en sprak tot mij, zeggende: Dit is het woord des HEEREN tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen.

  16. Zacharia 4:7ca. 519 v.Chr.

    Wie zijt gij, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld; want hij zal den hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen: Genade, genade zij denzelven!

  17. Zacharia 4:8ca. 519 v.Chr.

    Het woord des HEEREN geschiedde verder tot mij, zeggende:

  18. Zacharia 4:9ca. 519 v.Chr.

    De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voleinden; opdat gij weet, dat de HEERE der heirscharen mij tot ulieden gezonden heeft.

  19. Zacharia 4:10ca. 519 v.Chr.

    Want wie veracht den dag der kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de ogen des HEEREN, die het ganse land doortrekken.

  20. Zacharia 4:11ca. 519 v.Chr.

    Verder antwoordde ik, en zeide tot Hem: Wat zijn die twee olijfbomen, ter rechterzijde des kandelaars, en aan zijn linkerzijde?

  21. Zacharia 4:12ca. 519 v.Chr.

    En andermaal antwoordende, zo zeide ik tot Hem: Wat zijn die twee takjes der olijfbomen, welke in de twee gouden kruiken zijn, die goud van zich gieten?

  22. Zacharia 4:13ca. 519 v.Chr.

    En Hij sprak tot mij, zeggende: Weet gij niet, wat deze zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere!

  23. Zacharia 4:14ca. 519 v.Chr.

    Toen zeide Hij: Deze zijn de twee olietakken, welke voor den Heere der ganse aarde staan.

  24. Zacharia 5:1ca. 519 v.Chr.

    En ik hief mijn ogen weder op, en ik zag; en ziet, een vliegende rol.

  25. Zacharia 5:2ca. 519 v.Chr.

    En Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie een vliegende rol, welker lengte is van twintig ellen, en haar breedte van tien ellen.