Naar de inhoud

circa AD 48–96

Letters to the Churches

Paul and other apostles write to strengthen, correct, and encourage the scattered churches across the Roman world.

2,767 verzen · 21 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Hebreeën 2:4ca. 64 n.Chr.

    God bovendien medegetuigende door tekenen, en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen des Heiligen Geestes, naar Zijn wil.

  2. Hebreeën 2:5ca. 64 n.Chr.

    Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken.

  3. Hebreeën 2:6ca. 64 n.Chr.

    Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt!

  4. Hebreeën 2:7ca. 64 n.Chr.

    Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen;

  5. Hebreeën 2:8ca. 64 n.Chr.

    Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn;

  6. Hebreeën 2:9ca. 64 n.Chr.

    Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou.

  7. Hebreeën 2:10ca. 64 n.Chr.

    Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.

  8. Hebreeën 2:11ca. 64 n.Chr.

    Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen.

  9. Hebreeën 2:12ca. 64 n.Chr.

    Zeggende: Ik zal Uw naam Mijn broederen verkondigen; in het midden der Gemeente zal Ik U lofzingen.

  10. Hebreeën 2:13ca. 64 n.Chr.

    En wederom: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En wederom: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft.

  11. Hebreeën 2:14ca. 64 n.Chr.

    Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel;

  12. Hebreeën 2:15ca. 64 n.Chr.

    En verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren.

  13. Hebreeën 2:16ca. 64 n.Chr.

    Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan.

  14. Hebreeën 2:17ca. 64 n.Chr.

    Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.

  15. Hebreeën 2:18ca. 64 n.Chr.

    Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen.

  16. Hebreeën 3:1ca. 64 n.Chr.

    Hierom, heilige broeders, die der hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus;

  17. Hebreeën 3:2ca. 64 n.Chr.

    Die getrouw is Dengene, Die Hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in geheel zijn huis was.

  18. Hebreeën 3:3ca. 64 n.Chr.

    Want Deze is zoveel meerder heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, als degene, die het huis gebouwd heeft, meerder eer heeft, dan het huis.

  19. Hebreeën 3:4ca. 64 n.Chr.

    Want een ieder huis wordt van iemand gebouwd; maar Die dit alles gebouwd heeft, is God.

  20. Hebreeën 3:5ca. 64 n.Chr.

    En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis, als een dienaar, tot getuiging der dingen, die daarna gesproken zouden worden;

  21. Hebreeën 3:6ca. 64 n.Chr.

    Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, indien wij maar de vrijmoedigheid en de roem der hoop tot het einde toe vast behouden.

  22. Hebreeën 3:7ca. 64 n.Chr.

    Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, indien gij Zijn stem hoort,

  23. Hebreeën 3:8ca. 64 n.Chr.

    Zo verhardt uw harten niet, gelijk het geschied is in de verbittering, ten dage der verzoeking, in de woestijn;

  24. Hebreeën 3:9ca. 64 n.Chr.

    Alwaar Mij uw vaders verzocht hebben; zij hebben Mij beproefd, en hebben Mijn werken gezien, veertig jaren lang.

  25. Hebreeën 3:10ca. 64 n.Chr.

    Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend.