Skip to content

Bijbelverzen over Jewels

13 verzen · 7 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

  1. Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo droegen zij leed; en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich.

  2. En de HEERE had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israels: Gij zijt een hardnekkig volk; in een ogenblik zou Ik in het midden van ulieden optrekken, en zou u vernielen; doch nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal.

  3. De kinderen Israels dan beroofden zichzelven van hun versierselen, verre van den berg Horeb.

  4. Daarom hebben wij een offerande des HEEREN gebracht, een ieder wat hij gekregen heeft, een gouden vat, een keten, of een armring, een vingerring, een oorring, of een afhangenden gordel, om voor onze zielen verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN.

  5. Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, van het goud, alle welgewrochte vaten.

  6. En al het goud der heffing, dat zij den HEERE offerden, was zestien duizend zevenhonderd en vijftig sikkelen, van de hoofdlieden der duizenden, en van de hoofdlieden der honderden.

  7. Ten zelfden dage zal de HEERE wegnemen het sieraad der kousebanden, en de netjes, en de maantjes.

  8. De reukdoosjes, en de kleine ketentjes, en de glinsterende kledingen,

  9. De hoofdkroning, en de armversierselen, en de bindselen, en de reukballetjes, en de oorringen,

  10. De ringen en de voorhoofdsierselen,

  11. Ook versierde Ik u met sieraad, en deed armringen aan uw handen, en een keten aan uw hals.

  12. Desgelijks deed Ik een voorhoofdsiersel aan uw aangezicht, en oorringen aan uw oren, en een kroon der heerlijkheid op uw hoofd.

  13. Zo waart gij versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; gij at meelbloem, en honig, en olie, en gij waart gans zeer schoon, en waart voorspoedig, dat gij een koninkrijk werdt.