Skip to content

Bijbelverzen over Christian Conduct

58 verzen · 48 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;

  2. Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.

  3. Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.

  4. De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.

  5. De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.

  6. Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.

  7. Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

  8. Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.

  9. Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beerven.

  10. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

  11. Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.

  12. Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.

  13. Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.

  14. Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

  15. Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.

  16. Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.

  17. Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;

  18. En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;

  19. En zo wie u zal dwingen een mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen.

  20. Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd.

  21. Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen.

  22. Want de oversten zijn niet tot een vreze den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vrezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben;

  23. Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet.

  24. Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om des gewetens wil.

  25. Want daarom betaalt gij ook schattingen; want zij zijn dienaars van God, in ditzelve geduriglijk bezig zijnde.