Skip to content

Bijbelverzen over Cana

13 verzen · 3 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

  1. En op den derden dag was er een bruiloft te Kana in Galilea; en de moeder van Jezus was aldaar.

  2. En Jezus was ook genood, en Zijn discipelen, tot de bruiloft.

  3. En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.

  4. Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen.

  5. Zijn moeder zeide tot de dienaars: Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.

  6. En aldaar waren zes stenen watervaten gesteld, naar de reiniging der Joden, elk houdende twee of drie metreten.

  7. Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.

  8. En Hij zeide tot hen: Schept nu, en draagt het tot den hofmeester; en zij droegen het.

  9. Als nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet, van waar de wijn was; maar de dienaren, die het water geschept hadden, wisten het), zo riep de hofmeester den bruidegom.

  10. En zeide tot hem: Alle man zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men wel gedronken heeft, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard.

  11. Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.

  12. Zo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galilea, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapernaum.

  13. Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven.