Skip to content

Bijbelverzen over Blasphemy

90 verzen · 19 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden.

  2. God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen.

  3. Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.

  4. Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.

  5. Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige.

  6. Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.

  7. Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.

  8. Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.

  9. Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vlees?

  10. In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.

  11. Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.

  12. Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.

  13. Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?

  14. De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.

  15. Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand.

  16. Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.

  17. Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.

  18. Ik moet liegen in mijn recht; mijn pijl is smartelijk zonder overtreding.

  19. Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.

  20. Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen?

  21. Zou men tot een koning zeggen: Gij Belial; tot de prinsen: Gij goddelozen!

  22. Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.

  23. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.

  24. O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.

  25. En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?