Naar de inhoud

circa 800–400 BC

The Hebrew Prophets

God speaks through Isaiah, Jeremiah, and the minor prophets—calling Israel to repentance and foretelling the coming Messiah.

3,706 verzen · 14 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Jeremia 29:20ca. 599 v.Chr.

    Gij dan, hoort des HEEREN woord, gij allen, die gevankelijk zijt weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden!

  2. Jeremia 29:21ca. 599 v.Chr.

    Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maaseja, die ulieden in Mijn Naam valselijk profeteren: Ziet, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen slaan.

  3. Jeremia 29:22ca. 599 v.Chr.

    En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: De HEERE stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde;

  4. Jeremia 29:23ca. 599 v.Chr.

    Omdat zij een dwaasheid deden in Israel, en overspel bedreven met de vrouwen hunner naasten, en spraken het woord valselijk in Mijn Naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben Degene, Die het weet, en een getuige daarvan, spreekt de HEERE.

  5. Jeremia 29:24ca. 599 v.Chr.

    Tot Semaja nu, den Nechelamiet, zult gij spreken, zeggende:

  6. Jeremia 29:25ca. 599 v.Chr.

    Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israels, zeggende: Omdat gij brieven in uw naam gezonden hebt tot al het volk, dat te Jeruzalem is, en tot Zefanja, den zoon van Maaseja, den priester, en tot al de priesteren, zeggende:

  7. Jeremia 29:26ca. 599 v.Chr.

    De HEERE heeft u tot priester gesteld, in plaats van den priester Jojada, dat gij opzieners zoudt zijn in des HEEREN huis over allen man, die onzinnig is, en zich voor een profeet uitgeeft, dat gij dien stelt in de gevangenis en in den stok.

  8. Jeremia 29:27ca. 599 v.Chr.

    Nu dan, waarom hebt gij Jeremia, den Anathothiet, niet gescholden, die zich bij ulieden voor een profeet uitgeeft?

  9. Jeremia 29:28ca. 599 v.Chr.

    Want daarom heeft hij tot ons naar Babel gezonden, zeggende: Het zal lang duren; bouwt huizen, en woont daarin en plant hoven, en eet de vrucht daarvan.

  10. Jeremia 29:29ca. 599 v.Chr.

    Zefanja nu, de priester, had dezen brief gelezen voor de oren van den profeet Jeremia.

  11. Jeremia 29:30ca. 599 v.Chr.

    Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:

  12. Jeremia 29:31ca. 599 v.Chr.

    Zend henen tot allen, die gevankelijk weggevoerd zijn, zeggende: Zo zegt de HEERE van Semaja, den Nechelamiet: Omdat Semaja ulieden geprofeteerd heeft, daar Ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt, dat gij op leugen vertrouwt;

  13. Jeremia 29:32ca. 599 v.Chr.

    Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal bezoeking doen over Semaja, den Nechelamiet, en over zijn zaad; hij zal niemand hebben, die in het midden dezes volks wone, en zal het goede niet zien, dat Ik Mijn volke doen zal, spreekt de HEERE; want hij heeft een afval gesproken tegen den HEERE.

  14. Jeremia 30:1ca. 606 v.Chr.

    Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:

  15. Jeremia 30:2ca. 606 v.Chr.

    Zo spreekt de HEERE, de God Israels, zeggende: Schrijf u al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, in een boek.

  16. Jeremia 30:3ca. 606 v.Chr.

    Want zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik de gevangenis van Mijn volk, Israel en Juda, wenden zal, zegt de HEERE; en Ik zal hen wederbrengen in het land, dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten.

  17. Jeremia 30:4ca. 606 v.Chr.

    En dit zijn de woorden, die de HEERE gesproken heeft van Israel en van Juda.

  18. Jeremia 30:5ca. 606 v.Chr.

    Want zo zegt de HEERE: Wij horen een stem der verschrikking; er is vrees en geen vrede.

  19. Jeremia 30:6ca. 606 v.Chr.

    Vraagt toch en ziet, of een manspersoon baart? Waarom zie Ik dan eens iegelijken mans handen op zijn lenden, als van een barende vrouw, en alle aangezichten veranderd in bleekheid?

  20. Jeremia 30:7ca. 606 v.Chr.

    O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden.

  21. Jeremia 30:8ca. 606 v.Chr.

    Want het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE der heirscharen, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken, en uw banden verscheuren zal; en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen.

  22. Jeremia 30:9ca. 606 v.Chr.

    Maar zij zullen dienen den HEERE, hun God, en hun koning David, dien Ik hun verwekken zal.

  23. Jeremia 30:10ca. 606 v.Chr.

    Gij dan, vrees niet, o Mijn knecht Jakob! spreekt de HEERE, ontzet u niet, Israel! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die hem verschrikke.

  24. Jeremia 30:11ca. 606 v.Chr.

    Want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet gans onschuldig houden.

  25. Jeremia 30:12ca. 606 v.Chr.

    Want zo zegt de HEERE: Uw breuk is dodelijk, uw plage is smartelijk.