Naar de inhoud

God

11,427 verzen · 2 familieleden

Verzen die God noemen

Filter op boek
  1. Des verbonds, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijns eeds aan Izak;

  2. Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaan, het snoer van ulieder erfdeel.

  3. Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:

  4. Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.

  5. Hij riep ook een honger in het land; Hij brak allen staf des broods.

  6. Tot den tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd.

  7. En Hij deed Zijn volk zeer wassen, en maakte het machtiger dan Zijn tegenpartijders.

  8. Hij keerde hun hart om, dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten listiglijk handelden.

  9. Hij zond Mozes, Zijn knecht, en Aaron, dien Hij verkoren had.

  10. Zij deden onder hen de bevelen Zijner tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham.

  11. Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet wederspannig.

  12. Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.

  13. Want Hij dacht aan Zijn heilig woord, aan Abraham, Zijn knecht.

  14. Alzo voerde Hij Zijn volk uit met vrolijkheid, Zijn uitverkorenen met gejuich.

  15. Opdat zij Zijn inzettingen onderhielden, en Zijn wetten bewaarden. Hallelujah!

  16. Hallelujah! Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

  17. Wie zal de mogendheden des HEEREN uitspreken, al Zijn lof verkondigen?

  18. Gedenk mijner, o HEERE! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil;

  19. Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.

  20. Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheid niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.

  21. Doch Hij verloste hen om Zijns Naams wil, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte.

  22. En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.

  23. En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.

  24. Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof.

  25. Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet.