Naar de inhoud

God

11,427 verzen · 2 familieleden

Verzen die God noemen

Filter op boek
  1. Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.

  2. De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.

  3. Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.

  4. Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.

  5. De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;

  6. De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.

  7. Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.

  8. Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.

  9. Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.

  10. Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.

  11. Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.

  12. Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.

  13. De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.

  14. Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.

  15. Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.

  16. Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.

  17. De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!

  18. Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.

  19. Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderen.

  20. Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde zich.

  21. Vraagt naar den HEERE en Zijn sterkte; zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.

  22. Gedenkt Zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en der oordelen Zijns monds.

  23. Gij zaad van Abraham, Zijn knecht, gij kinderen van Jakob, Zijn uitverkorene!

  24. Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.

  25. Hij gedenkt Zijns verbonds tot in der eeuwigheid, des woords, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten;