Naar de inhoud

God

11,427 verzen · 2 familieleden

Verzen die God noemen

Filter op boek
  1. Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;

  2. Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;

  3. Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs!

  4. Who provideth for the raven his food? when his young ones cry unto God, they wander for lack of meat.

  5. Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?

  6. Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.

  7. En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:

  8. Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.

  9. Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?

  10. Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?

  11. Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!

  12. Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!

  13. Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

  14. Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.

  15. Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht.

  16. Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.

  17. Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?

  18. Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.

  19. Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedende pot en ruimen ketel.

  20. Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.

  21. Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

  22. Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden.

  23. Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.

  24. Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.

  25. Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.