- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
Psalmen50
Listen to this chapter
0:00
0:00
De goddelijke Rechter daagt de wereld voor
1
Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.
2
Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.
3
Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.
4
Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.
5
Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!
6
En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.
God verwerpt lege rituelen
7
Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.
8
Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.
9
Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;
10
Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.
11
Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.
12
Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.
13
Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?
14
Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.
15
En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.
De veroordeling van de goddelozen
16
Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
17
Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.
18
Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.
19
Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
20
Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.
21
Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.
De eis van ware godsvrucht
22
Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.
23
Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.
Use ← → arrow keys to navigate
Settings
Reading Style
Typeface
Font Size px
Reading Width chars
Options
Study Note