Naar de inhoud
Spreuken 6:1-19

Spreuken 6:1-19

1
Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;
2
Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.
3
Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.
4
Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.
5
Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.
6
Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
7
Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,
8
Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.
9
Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
10
Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
11
Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
12
Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;
13
Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingeren;
14
In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.
15
Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.
16
Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel:
17
Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;
18
Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;
19
Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.
Settings

Reading Style

Typeface

Font Size 19px

Reading Width 45 chars

Options