Spreuken 6:1-5
1
Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;
2
Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.
3
Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.
4
Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.
5
Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.
Settings