Skip to content
1 Thessalonicenzen 5:1-10

1 Thessalonicenzen 5:1-10

1
Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve.
2
Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in de nacht.
3
Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden;
4
Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.
5
Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.
6
Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.
7
Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;
8
Maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid.
9
Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus;
10
Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden.
Settings

Reading Style

Typeface

Font Size 19px

Options