Skip to content

Bijbelverzen over Self-Righteousness

195 verzen · 30 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. En zij vergaderden zich tegen Mozes, en tegen Aaron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u, want deze ganse vergadering, zij allen, zijn heilig, en de HEERE is in het midden van hen; waarom dan verheft gijlieden u over de gemeente des HEEREN?

  2. Wanneer hen nu de HEERE, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo spreek niet in uw hart, zeggende: De HEERE heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht, om dit land te erven; want, om de goddeloosheid dezer volken, verdrijft hen de HEERE voor uw aangezicht uit de bezitting.

  3. Niet om uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid uws harten, komt gij er henen in, om hun land te erven; maar om de goddeloosheid dezer volken, verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting: en om het woord te bevestigen, dat de HEERE, uw God, aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.

  4. Weet dan, dat u de HEERE, uw God, niet om uw gerechtigheid, ditzelve goede land geeft, om dat te erven; want gij zijt een hardnekkig volk.

  5. Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren; maar de goddelozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht.

  6. Samuel nu kwam tot Saul, en Saul zeide tot hem: Gezegend zijt gij den HEERE! Ik heb des HEEREN woord bevestigd.

  7. Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?

  8. Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.

  9. Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;

  10. Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.

  11. Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.

  12. Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;

  13. En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.

  14. Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!

  15. Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

  16. Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.

  17. Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.

  18. Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.

  19. Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.

  20. Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is.

  21. O, aarde! bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats.

  22. Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.

  23. Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?

  24. O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats?

  25. Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.