Skip to content

Bijbelverzen over Poor: Unclassified scriptures relating to

72 verzen · 4 aspecten

Verzen over Unclassified scriptures relating to

Filter op boek
  1. Ook zult gij den geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.

  2. Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.

  3. Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.

  4. De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.

  5. En Nehemia (dezelve is Hattirsatha) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is den HEERE, uw God, heilig; bedrijft dan geen rouw, en weent niet; want al het volk weende, als zij de woorden der wet hoorden.

  6. En de Levieten stilden al het volk, zeggende: Zwijgt, want deze dag is heilig, daarom bedroeft u niet.

  7. Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.

  8. Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.

  9. De zegen desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik vrolijk zingen.

  10. Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten.

  11. Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.

  12. Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?

  13. Heeft Hij niet, Die mij in den buik maakte, hem ook gemaakt en Een ons in de baarmoeder bereid?)

  14. Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;

  15. En mijn bete alleen gegeten heb, zodat de wees daarvan niet gegeten heeft;

  16. (Want van mijn jonkheid af is hij bij mij opgetogen, als bij een vader, en van mijner moeders buik af heb ik haar geleid;)

  17. Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de nooddruftige geen deksel had;

  18. Zo zijn lenden mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd;

  19. Zo ik mijn hand tegen den wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijn hulp zag;

  20. Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!

  21. Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.

  22. Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.

  23. Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.

  24. Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.

  25. Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.