Naar de inhoud

Bijbelverzen over Meteorology and Celestial Phenomena: General references

150 verzen · 2 aspecten

Verzen over General references

Filter op boek
  1. En allen struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot; want de HEERE God had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mens geweest, om den aardbodem te bouwen.

  2. Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den ganse aardbodem.

  3. Toen antwoordde zijn vader Izak en zeide tot hem: Zie, de vettigheden der aarde zullen uw woningen zijn, en van den dauw des hemels van boven af zult gij gezegend zijn.

  4. Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;

  5. Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet.

  6. Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.

  7. De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.

  8. Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.

  9. De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.

  10. Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen.

  11. Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate;

  12. Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen;

  13. Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze.

  14. Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijn tak.

  15. Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;

  16. Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.

  17. Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?

  18. Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.

  19. Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede.

  20. Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.

  21. Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp

  22. Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.

  23. Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de lieden Zijns werks.

  24. En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.

  25. Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.