Skip to content

Bijbelverzen over Light

22 verzen · 37 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

  1. En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.

  2. En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.

  3. En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.

  4. En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!

  5. En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo.

  6. God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.

  7. En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.

  8. Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op.

  9. Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; doch over u zal de HEERE opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.

  10. En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot den glans, die u is opgegaan.

  11. De zon zal u niet meer wezen tot een licht des daags, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar de HEERE zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid.

  12. Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal haar licht niet intrekken; want de HEERE zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen uwer treuring zullen een einde nemen.

  13. In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.

  14. En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.

  15. Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden.

  16. Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou.

  17. Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld.

  18. En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos.

  19. Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden.

  20. Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.

  21. Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd is het Licht bij ulieden; wandelt, terwijl gij het Licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.

  22. Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij kinderen des Lichts moogt zijn. Deze dingen sprak Jezus; en weggaande verborg Hij Zich van hen.